De participatieparadox - gastblog dr. Martijn v.d. Steen
De overheid probeert al jaren om burgers en andere partijen actief te krijgen. Inmiddels is dat proces op een prettige manier uit de hand gelopen. Op allerlei fronten zijn burgers, ondernemers, ondernemingen en maatschappelijke organisaties allemaal actief geworden in het publieke domein. Je moet je best doen om voorbij de vele programma's en overheidsprojecten te kijken, maar – om met Cruijff te spreken – zodra je het doorhebt, ga je het ook overal zien.
En steeds meer mensen hebben het gelukkig door. Corporaties maken zich meer dan ooit en meer dan ze moeten druk om de leefbaarheid van de publieke ruimte. Nergens in de onderwijswet staat dat scholen ontbijt moeten verstrekken of hulp moeten bieden aan leerlingen die het thuis moeilijk hebben. En nergens staat dat een brede school ergens een voorziening moet hebben waarin voor het inburgeringsbeleid moeilijk toegankelijke allochtone vrouwen elkaar kunnen ontmoeten (en elkaar en passant enthousiast maken voor een taalcursus en andere inburgeringsactiviteiten). Net zoals nergens staat dat burgers plantsoenen moeten opknappen, elkaar sociaal moeten ondersteunen, allerlei (digitale) bewerkingen op overheidsinformatie moeten toepassen waardoor de prestaties van publieke diensten zichtbaar worden en zo verder.
Omgaan met strategische activiteit
De paradox van onze tijd is dat de overheid niet zozeer te maken heeft met wat je de strategische passiviteit van allerlei partijen kunt noemen: het net zo lang wachten tot de overheid maximaal afkoopt of anderszins tegemoet komt. In onze tijd gaat het om het omgaan met strategische activiteit en soms zelfs ronduit activisme. Mensen die gewoon dingen gaan doen, zoals activiteiten organiseren in een park of een plantsoen aanleggen waar de gemeente een stoep had liggen. Of grote private investeringsfondsen die een ziekenhuis, kinderopvang of bejaardencentrum overnemen en gaan exploiteren.
Paradoxen zijn in het overheidsjargon meestal variaties op 'problemen'. Minstens zo vervelend als een gewoon probleem, maar een tandje hardnekkiger. Maar dat is geen juiste voorstelling van zaken. Het is een teken van onze tijd. En dat kan onmogelijk een probleem zijn. Wat de participatieparadox laat zien is dat we een tijdperk ingaan waarin de samenleving de vorm van een netwerk heeft en alle partijen in het netwerk op hun manier bijdragen aan het oplossen van collectieve problemen. Niemand heeft dé sleutel voor de oplossing van de kwestie, ook de overheid niet, maar vele partijen hebben samen sleuteltjes die tot oplossingen kunnen optellen. En niet alleen oplossingen van problemen, maar ook van innovaties.
Het publieke domein wordt meer gemengd, dat is niet het probleem, maar de realiteit van de netwerksamenleving. Overheden moeten daarmee omgaan. Dat is misschien wel de werkelijke participatieparadox. In de netwerksamenleving is het niet zozeer zoeken naar burgerparticipatie, maar is het zoeken naar overheidsparticipatie. Anderen nemen het initiatief, de overheid moet zich er toe verhouden. Soms meedoen, soms juist afblijven en afwachten.
De komende jaren zullen overheidsorganisaties, maar eigenlijk alle grote organisaties die in en rond het publieke domein actief zijn, moeten investeren in hun vermogen om in netwerken te opereren. Daar is veel over te zeggen, maar het komt steeds op één cruciale competentie terecht. Organisaties en individuen zullen moeten leren om betekenisvol te communiceren met anderen: om te ontdekken wat ze doen, wat ze willen, wat hen drijft, waar raakvlakken liggen, te begrijpen wat zorgen zijn en te kunnen dromen over wat mogelijk zou kunnen zijn.
Dr. Martijn van der Steen is co-decaan en adjunct-directeur van de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur (NSOB) in Den Haag.
